EMMA BRUNT

Van publiciste en columniste Emma Brunt verscheen in 1986 het boek
Jaloers - gesprekken over jaloezie (de Arbeiderspers, Amsterdam).

Met toestemming van Emma Brunt geven we een deel van haar gesprek met de schrijfster Doeschka Meijsing weer.


Doeschka Meijsing:

...toen ik thuiskwam lag er opeens zo'n mormel in de wieg...

'Je wilt dat de aandacht naar jou uitgaat,' zegt ze fronsend. 'Niet alleen de aandacht van mensen, maar ook van de dieren en de dingen en van alles wat maar mogelijk is. Jaloezie heeft te maken met een ongebreideld verlangen. Dat is hoe je in het leven staat, maar dat kan natuurlijk niet, dat is een heel kinderlijke wens. Het is een heel diepe, geheime jaloezie. En tegelijkertijd weet je -want dat heb je geleerd- dat je niet altijd het middelpunt van het universum kunt zijn, niet de enige waar alles om draait. Ik besef natuurlijk ook dat dat niet zo is, maar het is voor mij niet gemakkelijk geweest om dat te leren. Ik vind het nog moeilijk.

Waarschijnlijk had ik dat al vroeg, want ik herinner me nee, ik herinner het me niet, het is me later verteld maar ik weet in ieder geval wat mijn eerste kennismaking was met jaloezie. Ik was drie jaar en ik kon al praten. Heel goed praten zelfs. Ik werd uit logeren gestuurd bij andere mensen, en dat was leuk. Er was een zonnige tuin, een schommel, en er waren een heleboel vriendinnetjes om me heen. Ik moet het heerlijk ge vonden hebben, maar toen ik thuiskwam lag er opeens zo'n mormel in de wieg, een klein broertje. Toen heb ik een half jaar niet gesproken. Ik heb helemaal niets meer gezegd. Geen woord.'

Als je begint met schrijven denk je dat jij de allergrootste bent ter wereld. Ik was ervan overtuigd, dat ik die wereld wel met mijn pen zou veroveren. Pas als je de grenzen van je talent leert kennen, komt de jaloezie, maar het is een positieve jaloezie, een bewondering die je vormt en stimuleert. Tenminste, dat kan zo zijn. Je wilt het zelf ook graag zo goed doen en kunnen. Wat niet wil zeggen dat je onder die jaloezie niet lijdt. Ik ben een keer in machteloze tranen uitgebarsten toen ik bedacht dat Mozart is gestorven toen hij tweeŽndertig was, en dat ik - op mijn vierendertigste -

nog geen schijntje had laten zien van mijn talent. Zo erg was die jalouzie dat ik er lichamelijk op reageerde.

Het Salieri-syndroom uit Amadeus, dat herken ik. Mateloze bewondering draagt jaloezie in zich. Waarom is het mij niet gegeven om die grootheid te hebben? Waarom kan ik dat niet? Ik ben alleen jaloers op het sublieme, niet op het middelmatig talent. Ik heb het als ik Nabokov lees, of Yourcenar. Chopin was ook een begaafde componist, maar die heeft toch niet datgene waar je een absolute knieval voor maakt, zoals bij Mozart.

Maar het slaat me niet lam. Eventjes misschien. Dan kun je maar beter een beetje nurks door het huis stommelen en een beetje down zijn. Uiteindelijk kom ik toch weer uit dat dwanggevoel te voorsschijn met hernieuwde inspiratie en het voornemen om de grote gooi te wagen en de beste schrijver van allemaal te worden.

Ik weet wel dat het onzin is, maar je kunt niet anders denken als je door wilt gaan met werken. Je moet erin kunnen geloven. Ik althans wel.

Die competitie ken ik ook ten opzichte van mijn broers want die schrijven allebei. Wie krijgt de meeste aandacht van de kritiek? Van het publiek? Wie is de echte schrijver van ons drieŽn?

Ik kan goed met ze opschieten en ik heb ook een warm, liefdevol oordeel over hun werk, ik misgun het ze niet. Maar als ik mensen in mijn omgeving hardop hoor zeggen dat ik de minst begaafde van het stel ben, dan rol ik me meteen op. Dat is net als de jaloezie bij de liefde.

Ik heb leren aanvaarden dat een geliefde lusten kan hebben buiten mijn om, die heb ik zelf ook, maar bespaar me de confrontatie ermee! Zeg dat in godsnaam niet tegen me! En spring niet met me om alsof ik er niet toe doe, want ik verdraag het niet om een quantitť nťgligeable te zijn.
Ik wil iemand zijn die er wel toe doet.'

meer gesprekken over jaloezie met Emma Brunt